Seroendèng djagoeng.
161. Seroendèng djagoeng.
Twaalf maïskolven, waarvan de gele pitjes worden afgeraspt en deze in boter worden gebraden, een halve klapper, droog geraspt en droog gebraden, twee lepels fijngesneden uien, vier fijngesneden knoflookpitten, een lepel katoembar, een halve lepel djienten, 1 1/2 lepel langkwas, twee lomboks, zonder pit, een theelepel trassi, twee theelepels suiker, 1 1/2 theelepel zout, twee á drie lepels
assem water, boter of olie.
Men stampt de kruiden met elkander fijn, fruit dit in veel boter of olie lichtbruin, waarna men er de geraspte [83:] gebraden mais en klapper bijvoegt en, al bradende, er het assemwater doorheen roert.
Men braadt dit samen op, tot alles droog is en het geheel aangenaam zout en zoet van smaak is. Men kan deze seroendèng, koud geworden, in fleschjes, goed gesloten, bewaren.