Sajoer lodèh, van:
95. Sajoer lodèh, van:
Peulen, bloemkool, spersieboonen en savoiekool, van alles een weinig; twee eetlepels fijngesneden uien, drie hauwen of pitten knoflook fijngesneden, twee theelepels fijne laos (poeder), twee theelepels rauwe trassi, twee theelepels zout, vijf kemiries of twintig katjang gorèngs; tien groene en zes roode lomboks, santen van één klapper of een liter melk, olie of boter.
De groene lomboks snijdt men in de lengte door; de roode lomboks worden, zonder de pitjes, fijngewreven.
[51:] De groenten worden in de aangemaakte santen of verdunde melk, met het zout er bij, bijna gaar gekookt.
Men stampt vervolgens de specerijen bij elkander fijn en roert deze er doorheen. Daarna voegt men er de groene lomboks en vervolgens de fijngewreven roode lomboks bij, om de sajoer rood te doen zien; men kookt, onder bijvoeging van de overgebleven santen of melk, alles samen op, tot de groenten gaar zijn.
N.B. Men kan ook de lodèhkruiden, bij elkaar gedroogd, koopen per lood of decagram: Men gebruike dan de helft van de gekochte hoeveelheid.