Kwee bidji-salak of poetri-mandie.
180. Kwee bidji-salak of poetri-mandie.
Een half pond goela-djawa, drie kopjes ketanmeel, een half kopje warm water, drie kopjes koud water, een halve klapper geraspt, een paar djeroekpoeroetschillen.
[95:] Men kookt de goela-djawa met het water tot stroop en zeeft ze daarna. (De suiker is gewoonlijk met vuil en afval vermengd, daarom is ziften altijd geraden).
Met het lauw geworden warm water mengt men het meel aan en voegt hier een weinigje zout en eenige lepels suikerstroop bij. Dit wordt tot een deeg gekneed, waarna men er langwerpige balletjes van maakt.
Deze balletjes kookt men nu op, tot ze gaar zijn geworden, d.i. tot ze boven komen drijven (dan zijn ze gaar), waarna men ze op eene zeef koud laat worden.
De overige stroopsuiker kookt men nog eens op met de djeroekpoeroetschillen en stort hierin de koud geworden balletjes.
Men dient dit gebakje voor in kleine Indische kopjes; over elk aangeboden kopje wordt eerst een weinig geraspte klapper gestrooid.