Frikadel djagoeng.
160. Frikadel djagoeng.
(gehakt van mais).
Een dozijn jonge máiskolven, twee lepels [82:] uien, vier fijngesneden knoflookpitten; een theelepel langkwas, een stuk lombok fijngesneden, 3/4 lepel katoembar, een theelepel djienten, een theelepel trassi, een halve theelepel kentjoorpoeder, een theelepel zout, twee eierdooiers, een halfkopje santen of melk, boter of olie.
De maïskolven worden fijngeraspt, d.w.z. de gele pitjes aan de kolven. Dan worden de specerijen met de uien, enz. samen fijngestampt. Van de geraspte maïs maakt men met de gestampte kruiden en de eierdooiers platte balletjes gehakt, waarbij men niet verzuime er wat santen of melk door te doen. Daarna braadt men de platte balletjes in heete boter of olie op.
Een variatie op dit gerecht maakt men, door fijngehakte garnalen, b.v. een kopje vol, door het maïsgehakt te werken.
Hiervan worden dan ook balletjes gemaakt en deze op dezelfde wijze heet opgebraden.