Eend, gevuld met appelmoes.
158. Eend, gevuld met appelmoes.
Eene eend, hart, lever (en nieren) aan stukjes gesneden; een kop vol appelmoes, een sneedje in melk geweekt brood, twee dooiers van eieren, een half ons rozijnen zonder pit rgeweekt), een lepel boter, een theelepel zout, azijn, water en boter.
De eend wordt inwendig schoongemaakt en met azijn uitgewasschen, om den eigenaardigen smaak te verdrijven; dan wordt ze nog eens in water overgewasschen, afgedroogd en met zout en met peper ingewreven. Daarna kookt men de eend, met de er uitgenomen lever, hart en nieren fijn, mengt dit door elkander (maakt er een gepakt van) met de appelmoes, eierdooiers, rozijnen, het geweekte brood en een lepel boter en vult hiermede de eend, waarna deze wordt dichtgenaaid en ze in haar eigen bouillon nog eens wordt opgekookt.
Nu neemt men de eend eruit, braadt haar aan weers[81:]kanten, in veel boter, bruin, waarop men van den bouillon en boter de jus maakt, waarmede de eend, die op een schaal gearrangeerd, wordt begoten.