Dawet, ook “tjèndol” genaamd.
189. Dawet, ook “tjèndol” genaamd.
Een bord arrowroot, zout, melk of santen, goeladjawa stroop. – Koud water.
[100:] Men maakt het arrowroot met koud water aan en kookt het op, tot dit een doorschijnende pap wordt (precies als stijfsel). Dan laat men, door een grove zeef, de pap druppelsgewijze door de gaatjes in een bak of kom, gevuld met koud water, vallen, waarin het arrowroot dadelijk stolt.
Nu neemt men melk of santen, lengt dit met een weinigje zout aan en met de goela-djawastroop en doet hierin de koud geworden arrowrootballetjes.
Bij wijze van versnapering wordt deze zoetigheid in
kleine kopjes voorgediend.