Bebòtòk van vleesch.
[12:] 19. Bebòtòk van vleesch.
(vleesch in kopjes, dan wel in bladeren gewikkeld).
Een bordje vol fijngehakt gekookt vleesch, 2 eetlepels fijn gesneden uien, 1/2 eetlepel fijngesneden knoflook.
1/2 lombok, 1 eetlepel fijne katoembar, 1/2 eetlepel djienten, 1 theelepel trassi, 1/2 theelepel gewone of javaansche suiker, 1 theelepeltje zout, dooiers van twee eieren, 5 of 6 lepels geraspte klapper, eenige (3 à 4) djeroekpoeroet-bladeren, 1/2 lepel fijne seréh en 1 à 2 kopjes dikkesanten (of melk).
Alle ingrediënten, behalve de santen en de bladeren,worden met elkander fijngestampt en dit daarna innig vermengd met het fijngehakte, gekookte vleesch. Daarna wordt deze brei met santen (of melk) aangelengd, zoo, dat het niet te dun wordt, en in kleine mangkoks (kopjes) gedaan, niet al te vol, en deze kopjes in een groote pan met water gezet, welk water men laat koken. De inhoud wordt dan langzaam gaar en dik. (Au Bain Marie). Men zorge er voor, dat het water lager is dan de rand der kopjes en dat de pan goed dichtgedekt blijft. Is het water verkookt, dan vult men de pan weer bij.
Men kan, inplaats van kopjes, ook halfgaar gekookte koolbladeren nemen en deze, als het vleesch er in is gedaan, met een draad dichtmaken. Dan worden de pakjes in een vergiet gèdaan en in kokend water gestoomd.