156. Ajam-òpòr.
(kip, gevuld met kruisbessen)
Een kip, zes kemiries, drie lepels fijngesneden uien, vier fijngesneden knoflookpitten, een lepel katoembar, een halve lepel djienten, een lepel fijngesneden lombok, een theelepel gebrande trassi, een theelepel laospoeder, twee djeroekpoeroet- en twee laurierbladeren, twee theelepels zout, [79:] naar smaak, een kopje vol bijna rijpe kruisbessen, dunne en dikke santen (of melk), boter.
Van de kip worden hart en lever aan stukjes gesneden, waarbij men de kip van binnen goed schoonmaakt, in haar geheel laat, haar inwrijft met peper en zout, en haar van binnen met boter besmeert.
De kruiden worden, met uitzondering van de bladeren, samen fijngestampt. Vervolgens kneust men de kruisbessen fijn. De stukjes hart en lever braadt men met de fijngestampte kruiden samen in boter op, doet hier de gekneusde bessen door, met een paar lepels dikke santen. Dit vulsel doet men daarna in de kip en naait deze vervolgens dicht. De kip, gevuld en dicht, kookt men dan in de dunne santen op, met de bladeren, waarna men er nog dikke santen bijvoegt en dit laat doorkoken tot de jus dik is.
Dan haalt men de kip uit de jus, braadt ze nog eens aan beide kanten, bruin op in boter en voegt er telkens, al begietende, de dikke jus bij.
De kip wordt op een schaal geplaatst en met het restant der dikke jus overgoten.
[80:] De uien en het knoflook worden met de Spaansche peper samen fijngestampt en in boter opgebraden.
Hierna snijdt men de pitten maïs van de kolven af, kookt ze even op met water en suiker tot ze gaar zijn (zooals men jonge doperwtjes stooft).
Dan doet men de garnalen, de gekookte maïspitten en de- gebraden specerijen bij elkaar en kookt ze in water en melk op. Men laat ze gedekt stoven.
Naar verkiezing kan men er soja en citroensap bij doen.
Als men dit bijgerecht met maïzena dik maakt, kan men het in schelpen voordienen.